GOUDA

Sensomotorische integratie

Het kan zijn dat het kind problemen heeft met de verwerking van zintuiglijke informatie. Ieder mens heeft zintuigen waarmee er informatie van het eigen lichaam en uit de omgeving wordt verkregen en verwerkt.
Meestal gaat de verwerking hiervan goed, en wordt er een goed en begrijpelijk plaatje van de omgeving en van jezelf in die omgeving opgebouwd. Daardoor kan er efficiënt gereageerd worden op de omgeving. Het inschatten van de vaardigheden is adequaat. Dit helpt om zelfvertrouwen te verkrijgen. Als de sensorische informatie niet goed verwerkt wordt, dan kunnen er problemen zijn zoals faalangst of overmoedig gedrag, waarbij het gevaar niet goed wordt ingeschat.

Indien de zintuiglijke informatie te sterk doorkomt, kan het ook zijn dat er sprake is van overgevoeligheid. Sommige kinderen reageren sterk op aangeraakt worden, waardoor ze snel geïrriteerd zijn zonder te weten waarom. Er kunnen reacties zijn zoals angstig / misselijk / draaierig worden bij schommelen, hoog klimmen of kermis attracties.
Ook kan een kind snel afgeleid zijn in de klas door geluid en onrust vanuit de omgeving.

Als de informatie niet sterk doorkomt, maar eerder zwak, dan kan het kind vaak behoefte hebben aan veel en hard bewegen, om toch informatie uit het lichaam te verkrijgen. Deze kinderen zijn veelal lichamelijk onrustig en wriemelen veel. Ze willen veel draaien, rennen, schommelen en maken soms zelfs graag veel geluid. Ze zijn vaak druk en kunnen soms storend zijn voor de omgeving.
Een combinatie van bovenstaande komt tevens veel voor. Bijna altijd is het reguleren van de ‘alertheid’ voor deze kinderen een probleem. Een goede sensorische integratie zorgt ervoor dat het zenuwstelsel ons in een goede staat van alertheid brengt en houdt. Bij rustige activiteiten zorgt het dat het kind op een stoel kan blijven zitten zonder dat het snel onrustig wordt of wat slaperig en inactief (moe!) wordt. In beide gevallen is het kind niet goed in staat om op te blijven letten en taken te voltooien. Als er een actieve houding wordt gevraagd, bijvoorbeeld bij de gymles, dan moet het kind de juiste alertheid kunnen vasthouden en niet ‘doordraaien’ of zich heel snel moe en slap voelen.

Tijdens het sensomotorisch onderzoek wordt er gekeken naar de verwerking van vestibulaire, tactiele en proprioceptieve prikkels. Daarnaast wordt er een motorisch onderzoek afgenomen.

Het vestibulaire systeem (evenwicht) omvat evenwichtszintuigen die gelegen zijn in het binnenoor. Het reageert op zwaartekracht en beweging en geeft basale informatie die nodig is voor het handhaven van een stabiele en veilige houding, voor grove en fijne motorische vaardigheden, oogcontrole en voor een goede spierspanning.
Het tactiele systeem (de tast) geeft basale informatie voor het lichaamsschema, de spiercontrole, motorplanning en visuele perceptie.
Het proprioceptieve systeem (diepe gevoel) is gelegen in gewrichten, pezen en spieren en geeft informatie over de stand van het lichaam en regelt de spierspanning. Informatie van dit systeem draagt bij aan een stabiele houding en het lichaamsschema.

De behandeling gebeurt spelenderwijs. Het kind heeft zelf een grote inbreng.
De activiteiten zijn echter zo opgezet en ontworpen dat ze de juiste sensorische informatie verschaffen en de daarop passende reactie uitlokken.